Donderdag 6 juni 2024
Na een goede nacht, dankzij de Oxazepam, word ik vandaag wederom wakker in de grootste nachtmerrie die ik me kan bedenken. Hoewel ik rustig in slaap gevallen ben en doorgeslapen heb, voel ik me totaal niet uitgeslapen of rustig. Alles behalve. Het is vroeg, maar de jongens zijn al wakker en maken geluid voor tien. Het allerfijnste geluid waar ik normaal zo van geniet, maar nu intens verdrietig van word. Het geluid van mijn kindjes. Mijn alles.
Terwijl zij naar beneden gaan, blijf ik nog even liggen in bed. Vanmiddag krijg ik de PET-CT-scan (Oftewel, PET-scan; om te zien of en waar er uitzaaiingen zitten). Dé belangrijkste scan dus, die uitsluitsel gaat geven over welke behandeling ik ga krijgen. Of ik kán genezen, óf het niet in mijn organen zit. Terwijl ik de trap afloop voel ik de knoop in mijn maag samentrekken. Ik wil dit helemaal niet.
‘Mam, voor wie zijn al die bloemen die hier staan?’ vraagt Revi, onze oudste zoon als ik beneden ben. ‘Lief he? Deze zijn allemaal voor mij, voor ons. Ik heb veel gehuild de afgelopen dagen he? Dat komt omdat mijn borst ziek is. Net zoals bij oma Jo’, hoor ik mezelf zeggen. ‘Ga je anders mee straks even wat vazen halen? We hebben er niet genoeg’ zeg ik lachend. Snel kleden we ons aan en stappen we de auto in om naar het tuincentrum te gaan. Hand in hand loop ik daar, samen met hem. Alsof er niets gebeurd is, alsof de wereld doordraait. Over dat mijn borst ziek is, zegt hij niets.
Rond 11 uur is mijn moeder er en stappen we samen de auto in, op weg naar dé scan. Ik ben gespannen, weet niet wat me te wachten staat en ik voel me onrustig. Mijn moeder probeert me gerust te stellen, maar aan alles merk ik dat ook zij er helemaal niet lekker in zit. ‘Mam, ben jij bang voor de uitslag?’ vraag ik haar. ‘Ja natuurlijk’, zegt mijn moeder. ‘Jij bent mijn kind, mijn alles. Het ergste wat je als ouder kunt meemaken is dat jouw kind ziek is. Hoe oud dat kind ook is’. ‘Ja, dat kan ik me goed begrijpen’, zegt ik zacht en zwijg tot we parkeren.
Waar ik normaal tijdens de zwangerschap op de eerste moest zijn, in het centrum van het ziekenhuis (ik had zwangerschapsdiabetes.. zucht), moet ik nu helemaal naar achteren lopen. Het lijkt wel alsof we via een gangenstelsel in een ander gebouw komen. Achteraf, zonder veel patienten en medewerkers word ik neergezet in een saaie wachtkamer. Gelukkig word ik snel gehaald. ‘Mevrouw van Rijn, ik ben stagiaire en ga uw infuus prikken. Door dit infuus wordt het radioactieve gedeelte ingespoten en kunnen wij goed op beeld zien wat er in uw lichaam gebeurt. Voelt u zich ziek? Heeft u gegeten? Heeft u onlangs chemo gehad of is er iets anders wat wij moeten weten?’ vraagt hij routinematig. ‘Nee, op alles kan ik nee antwoorden’ geef ik aan. ‘Oke, dan gaan we nu het infuus toedienen en dan mag u 60 minuten niet lezen, bewegen of iets actiefs doen. Probeer maar fijn te ontspannen. Tot zo.’
‘Vriend, ik ga misschien dood aan deze kanker, we weten niet waar het zit. Hoe kan ik nou ontspannen, eikel?’ wil ik antwoorden. Maar, ik zeg niets en doe mijn oortjes in.
Het uur gaat snel voorbij, want ondanks dat ik zeker niet kon ontspannen. Heb ik wel gelachen met een leuke podcast in mijn oren.
Na het uur word ik naar binnen geroepen en vertelt de chagrijnige verpleegkundige dat ik moet gaan liggen. Zonder uitleg, zonder te vragen: ‘Heb je nog vragen?’ loopt ze de kamer uit en start het apparaat. Op het moment dat het apparaat begint, begin ik in mijn hoofd met mijn mantra: Ik heb geen uitzaaiingen, ik ga niet dood. Ik heb geen uitzaaiingen, ik ga niet dood… 15 minuten later is de scan klaar. Het mantra heb ik al die tijd herhaald en staat in mijn geheugen gegrift.
Die avond ga ik een rondje lopen met een van mijn beste vriendinnen en het enige wat ik kan doen is huilen. Ik ben ontroostbaar en voel zo ontzettend veel angst. Tussen de tranen door, knuffelen we, praten we over van alles waar we over kunnen praten en zeg ik steeds: ‘Ik ben zo bang, ik ben zo bang’. Mijn lieve vriendin luistert, knuffelt en probeert me gerust te stellen maar ook zij is verdrietig. Voor alles wat komen gaat. Voor alles wat we nog niet weten.
Als ik thuiskom besluit ik het late flesje aan Jimi te geven en ga met hem op bed zitten. Terwijl ik hem het flesje geef fluister ik snikkend: ‘Ik ben zo bang, ik ben zo bang lieve Jimi, ik wil voor jou en je broer alles doen. Jullie zijn mijn alles. Jullie geven me kracht en de wil om te leven. Ik ga vechten, dat weet ik zeker. Nog één nachtje, dan weten we het. Ik kan dit. Maar och, ik ben zo bang’.

Geef een reactie op Debby van Rijn Reactie annuleren